Van 23 tot 30 juli 2009 werden in Revilla (Huesca, Spanje), in het Biologisch Station Monte Perdido EBMP, voor de vierde keer de Nationale Dagen van de Lepidopterologie gehouden, georganiseerd door “Zerynthia”, de Spaanse vereniging voor de bescherming van vlinders en hun habitad . Daarbij werd het besluit genomen te bevorderen dat van het EBMP, het Biologisch Station Monte Perdido, en omgeving een microreservaat wordt gemaakt voor het bedreigde Tijmblauwtje, Maculinea arion. Bij dat besluit was ook de schaapherder aanwezig die zijn schapen op de flanken van de Monte Perdido extensief laat grazen rond het EBMP en hoger, op de berghellingen in en buiten het Nationaal Park Ordesa y Monte Perdido. Er zijn inmiddels sponsoren gevonden en kleine overheidssubsidies verkregen om het microreservaat handen en voeten te geven. Een begin is gemaakt met informatie-materiaal over de M. arion voor het publiek dat het EBMP of het Ecomuseum in het nabijgelegen stadje Aínsa bezoekt. Verder is er een vlinderobservatiepad gemaakt op de helling naast het EBMP met uitleg voor bezoekers.
Bij die jaarvergadering hield de president van het Spaanse Wereldnatuurfonds een voordracht en deelde de uitgave ACCION MARIPOSA 1990 uit, over vlinderbescherming in Spanje, waarin o.a. te lezen viel waarom de aanwezigheid van de schaapherder bij deze jaarvergadering zo belangrijk was. Lees de volgende vertaling.

Elisabeth Portheine

LYCAENIDAE IN SPANJE
Vliegende scherfjes azuur

De Lycaenidae vormen een familie die in Spanje een bijzonder interessant beschermingsprobleem oplevert. Aan de ene kant is dit het geval doordat het aantal endemen zo groot is, aan de andere kant doordat alle mogelijke bedreigingen op de loer liggen.
De blauwtjes, gangbare benaming voor deze groep die ongeveer 70 soorten telt in Spanje, zijn vlinders die in veel gevallen blauw en in alle gevallen klein zijn en nerveus zigzaggend laag boven de grond rondvliegen. Men kan ze vaak bij zogeheten drinkplaatsen zien, plekken met vochtige klei- of zandgrond waar ze zich verdringen speciaal om water op te nemen dat rijk is aan sodium, potassium en andere essentiele elementen.

ENDEMISCH

Zoals wij al eerder opmerkten, het endemisch karakter -d.w.z. dat ze alleen voorkomen in een bepaald gebied, in dit geval Spanje of deelgebieden daarvan- van enkele van deze soorten is hetgeen aan deze familie een hoge beschermingswaarde verleent.
Het grootste deel van de blauwtjes in Spanje kwam in de Pyreneeën terecht in de periode na de ijstijd, gebonden als ze nog steeds waren aan een omgeving met een koud klimaat. Bij het terugtrekken van het ijs en het stijgen van de temperatuur, bleven veel van deze vlinders hier vliegen als bewoners van bergen waar de omstandigheden doen denken aan die waaronder zij oorsponkelijk leefden. Zo hebben zij zich in het isolement van de bergen ontwikkeld langs eigen lijnen, door zich aan iedere concrete situatie aan te passen zonder te mengen met hun soortgenoten in gebieden dichtbij of verderweg. In de loop van de tijd ontstonden soorten en ondersoorten die exclusief zijn voor het iberisch gebergte en enkele zeer lokale massieven en bergruggen.

SCHAARS

Het verschijnsel isolement heeft gemaakt dat er enkele soorten blauwtjes zijn ontstaan die heel weinig voorkomen, omdat ze onder zulke zware omstandigheden leven dat hun extreme aanpassing daaraan alleen weggelegd is voor een stabiele en kleine, uiterst gespecialiseerde populatie, zoals het geval is met de soorten die de biotopen van het hooggebergte of van woestijngebieden bevolken.
Maar misschien is het meest bijzondere en attractieve aspect van deze talrijke vlinderfamilie gelegen in hun uiterst verfijnde aanpassingen aan, en co-evolutie met, diverse biologische verschijnselen, onder andere hun verbintenis met mieren, hun nauwe associatie met barre omgevingsfactoren en hun afhankelijkheid van een omgeving die ontstond door het traditioneel gebruik van het land door de mens.

MIEREN EN “MIERENVLINDERS”

Er zijn enkele soorten blauwtjes die in het spaans mierenvlinders worden genoemd: het Gentiaanblauwtje (Maculinea alcon), het Tijmblauwtje (Maculinea arion), het Pimpernelblauwtje (Maculinea teleius), het Donker pimpernelblauwtje (Maculinea nausithous). Ook al corresponderen benamingen vaak met de subjectieve smaak van de naamgever, in dit geval is de benaming mierenvlinder meer dan terecht, hoewel strikt genomen er meer soorten zijn die deze naam verdienen. Volgens deskundigen zijn er daadwerkelijk meer dan vijftig soorten blauwtjes op het Iberisch Schiereiland die een bepaalde relatie met mieren hebben gedurende hun rupsenstadium.
Deze relatie berust op het “melken” dat de mieren doen bij de rupsen om de zoete vloeistof te verzamelen die voornamelijk door de zogenaamde klieren van Newcomer wordt afgescheiden en uitsluitend bij de Lycaenidae voorkomen[in ruil waarvoor de mier zorgt dat de rupsenpredatoren, zoals de sluipwesp, op afstand blijven].
De eenvoudigste band bestaat er alleen maar uit dat de mieren het zoete product van genoemde klieren van de rupsen tot zich nemen .
Een volgende stap in complexiteit van relatie impliceert dat de rupsen niet alleen “gemelkt” worden maar ook door de mieren vervoerd worden naar voedselplanten dichterbij het mierennest, om de taak van het toezien op, en het melken van, de “veestapel” te vergemakkelijken. Daarbij is het opmerkelijk dat de hoornlaag van deze rupsen bijna 35 maal zo dik is als van de overige vlinderrupsen, om hen te vrijwaren van schade als de mieren, met hun gasten in de kaken geklemd, hen naar dichtbij het nest versjouwen.
En tenlotte, de hoogste graad van verbondenheid tussen beide insecten vormt een geval van waarlijk parasitisme van de vlinder op de mier, zoals uit recente studies is gebleken. Na de derde vervelling zakt de rups af naar de grond en daar weet hij de mieren te “bedotten” dankzij een allomoon (een speciaal soort hormoon) waarmee de rups zich voordoet als mierenlarf, waardoor de mieren hem opnemen en naar het binnenste van het mierennest brengen, waar hij het zwaarste seizoen wat betreft weersomstandigheden doorbrengt met het eten van de mierenpoppen zonder dat de mieren het bedrog merken. Het is ongetwijfeld een uiterst bijzonder geval van fysiologische en gedragsmatige aanpassing om het probleem van het winterseizoen op te lossen op deze heel bijzondere en in het dierenrijk ongebruikelijke manier.
Zo brengt de rups de herfst, de winter en het begin van de lente door in de warme bescherming van het dichtbevolkte mierennest, waar de popvorming en de ontwikkeling tot volwassen exemplaar plaatsvindt. Als vlinder kruipt hij door de tunnels en gangen naar buiten om daar de pas uitgekomen vleugels uit te vouwen in de zachte voorjaarszon.

De hierboven beschreven banden zijn specifiek voor bepaalde vlinders en bepaalde mieren. Daarom is het voor de instandhouding van de populatie van een bepaald blauwtje nodig de omgevingsfactoren in stand te houden, die juist die mierensoort laten voortbestaan die nodig is voor dat bepaalde blauwtje.

HOGE BERGTOPPEN EN SCHROEIENDE WIND

Zowel in de hoogste bergen van Spanje als in de schraalste woestijnachtige gebieden, vinden wij vlinders van de Lycaenidae familie.
De alpiene toendra-landschappen in de Pyreneeën en de Sierra Nevada herbergen, als kostbare juweeltjes van de schaarse fauna aldaar, deze smetteloos gekleurde vlindertjes. Daar waar de bodem hard en het klimaat meedogenloos is, leven vlinders die voor verzamelaars hoogst begerenswaard en voor de wetenschappers hoogst aantrekkelijk zijn; vlinders die hun bestaan danken aan een vegetatie die soms zelfs nauwelijks te vinden is omdat de kou, de ijzige wind en de afwezigheid van grond maken dat de flora zich beperkt tot schaarse plantjes die nauwelijks een paar centimeters boven de grond uitsteken. Deze plantjes, die stoïcijns barre omstandigheden ondergaan, dienen ook nog eens als kraamkamer en voedselplant voor vlinders waarvan de wereldverspeiding zich beperkt tot deze kleine gebieden.
Maar niet minder hard wat betreft omgevingsfactoren is het zuidoosten van Spanje. De authentieke woestijn- of steppengebieden van Almería en Murcia bieden een even exclusieve flora en fauna als de hoge bergtoppen.
Van oorsprong afrikaans als zij zijn, vinden planten zoals de Zizyphus sp. (Christusdoornsoorten) hier het beste wat betreft habitat: grote hitte in de zomer en extreem droge wind vrijwel het hele jaar door. De Christusdoornsoorten bijvoorbeeld, zijn de voedselplant voor een ander juweeltje dat de blauwtjes ons te bieden hebben in Spanje: het Moors christusdoornblauwtje (Tarucus teophrastus), dat zich zoals gezegd beperkt tot het zuidoosten van Spanje en zich perfect aangepast heeft aan typisch afrikaanse omstandigheden.

DE BLAUWTJES EN DE MENS

Nu zullen we de werking onderzoeken van dat deel van de ecologie van de Lycaenidae, dat in onze ogen het meest merkwaardige en bijzondere is. Misschien is onze fascinatie alleen maar een bewijs te meer van ons gebruikelijk anthropocentrisme, want het verschijnsel waarover wij het hier gaan hebben vindt zijn directe oorzaak in de mens en zijn invloed op de natuur; maar tegelijkertijd is het een perfect voorbeeld van aanpassing van organismen aan het veranderend milieu en de didactische waarde ervan is ongetwijfeld te danken aan het feit dat men het op de menselijke tijdschaal -niet de individuele maar wel de historische- perfect kan zien gebeuren, wat werkelijk uitzonderlijk is voor een evolutionair verschijnsel.
Zowel voor de leek als voor veel natuuronderzoekers is plagioclimax een nieuw en onbekend begrip. Wel, een toestand van plagioclimax is een toestand waarin het natuurlijk milieu in een bepaalde omgeving zich bevindt -hoofdzakelijk betreffende de samenstelling van de flora en de structuur van de vegetatie- die in evenwicht lijkt te zijn en zich niet in een of andere richting verder ontwikkelt, hetgeen te danken is aan de constante druk van een of andere omstandigheid, die, zoals gezegd, niet toelaat dat die toestand vooruit- of achteruitgaat in de reeks van spontane opeenvolgingen van natuurlijke vegetatiewisselingen.
Een volwassen bos, bijvoorbeeld een eiken- of beukenbos in het noorden van het schiereiland, een pyrenees of andalusisch dennenbos, zijn in een toestand van climax, waar de stabiliteit het resultaat is van een natuurlijke ontwikkeling, die verscheidene vegetatie-reeksen doorlopen heeft en waar geen verdere ontwikkeling tot een bepaalde “hogere” biotoop plaats kan vinden.
Zo zien we hoe het verschil tussen een toestand die echt het eindpunt of climax betekent en die het alleen maar lijkt te zijn, juist door die omstandigheid wordt uitgemaakt die zoals gezegd de schijn in stand houdt. Als het element van pressie verdwijnt, dan zou de natuurlijke opeenvolging van vegetatie voortgaan tot een toestand van echte climax.
Plagioclimax is het type toestand waarin the meerendeel van de weidegronden en hooilanden verkeert niet alleen in Spanje maar in heel Europa (met uitzondering van de alpiene weiden), hetgeen goed duidelijk wordt op het moment dat het grazen of het maaien achterwege blijft -zoals gebeurd is bij de massale exodus van het platteland naar de steden in de 50-er en 60-er jaren in Spanje- en het struikgewas snel die stukken land binnendringt zodat die zelfs tot bossen kunnen uitgroeien als de mens honderd jaar geduld zou hebben.

Wij zullen een enkel geval bekijken ter illustratie van deze uiteenzettingen.

Maculinea rebeli. Een van de groep mierenvlinders, de Maculinea rebeli, het Berggentiaanblauwtje, is een van de voorbeelden waarmee men het best kan laten zien hoe een vlinder zich kan aanpassen aan omgevingsfactoren die door de mens geschapen zijn toen hij de natuurlijke bronnen van bestaan ging gebruiken en ontwikkelen.
Deze vlinder leeft in weidegronden op gematigde hoogte in de Pyreneeën, ongeveer tussen 1200 en 1600 meter, waar de koeien doortrekken als zij in de lente naar boven gaan naar de hooggelegen weiden waar ze de zomer doorbrengen. De voedselplant van de rebeli, een gentiaansoort, maakt deel uit van deze weiden, en wordt door de koeien afgegraasd. Maar de plant regenereert nadat het vee is doorgetrokken; dat is het moment waarop het vrouwtje van onze vlinder de eitjes erop afzet, zodat aldus de pasgeboren rups zich al kan voeden met de gentiaan -die bijna een meter hoog zal worden-, als deze weer begint te groeien. Als het vee in de herfst omlaag komt zijn de rupsen van de vlinder al binnenin het mierennest waar zij de winter door zullen brengen en waar ze zowel aan de vraat van de herkauwers ontkomen als ook goed voorzien zijn van voedsel.
Op het eerste gezicht lijkt het erop dat de vlinder niets te maken heeft met het vee omdat het de aanwezigheid van de gentiaan is die hem van een voortbestaan verzekert. Maar hier ligt de crux van de zaak: deze weidegronden worden kunstmatig in stand gehouden dankzij de begrazing -een van de toestanden van plagioclimax zoals hierboven beschreven-, waar anders eerst het struikgewas en daarna het bos zou binnendringen, zodat de gentiaan en met haar onze zeldzame vlinder zou verdwijnen.
Zoals we zien, de biologische cyclus van de mierenvlinder is perfect aangepast aan de doortrek van het vee, en de tijdsafstemming tussen de begrazing van de weiden, de eileg, de ontwikkeling van de rupsen, en de groei van de gentiaan is een kwestie van een verfijnde harmonie, het product van de twee of drie duizend jaar aanpassing van het insect aan het gebruik dat de mens maakt van bepaalde biotopen. Ook moeten wij niet vergeten dat de echte beperkende factor voor de aanwezigheid van de vlinder de mieren zijn die de rups opnemen in hun nest en hem voeden gedurende de winter, terwijl, als de struiken de wei binnendringen en deze ophoudt te bestaan, de mieren de plek zouden verlaten en de vlinder zijn levenscyclus niet zou kunnen doorlopen.

Het Tijmblauwtje en de schapen.
Het Tijmblauwtje (Maculinea arion) is een van de Lycaenidae die als zeldzaam wordt aangemerkt in Spanje; zijn overlevingskansen zijn afhankelijk van een combinatie van de twee factoren die wij hiervoor al beschreven hebben: de gebondenheid aan mieren en aan begrazing.
Als bewoner in het noorden van Spanje van weidegronden en open bosplekken is het Tijmblauwtje voor zijn levenscyclus speciaal afhankelijk van de mieren die hem opnemen, in dit geval behorend tot één soort, althans in Spanje: de Myrmica sabuleti. Op zijn beurt heeft deze mier een erg schaarsbegroeid veld nodig om te overleven, omdat, zodra het gras langer wordt dan 5 centimeter, de temperatuur van de ondergrond enkele graden daalt, zodat de mieren hun plek verlaten en met hen onze vlinder verdwijnt.
Wederom, de sleutel tot dit gecompliceerde verband begrazing-mier-vlinder is de mens, maar niet meer envoudigweg zomaar om de weidegrond in stand te houden, maar hij moet ervoor zorgen dat er een krachtige begrazingsdruk op uitgeoefend wordt – hetgeen typerend is voor begrazing door schapen-, zodat het gras precies zo kort blijft als nodig is voor de mier.

Onder de blauwtjes zijn soorten die typisch mediterraan zijn en merkwaardigerwijs bijna alle die tot deze categorie behoren en die in meerdere of mindere mate bedreigd zijn, leven in wat men “serale stadia” noemt, hetgeen de fasen zijn die voorafgaan aan de climax in de natuurlijke vegetatiewisselingen. In de huidige tijd komen die in het algemeen overeen met de degradaties, gewoonlijk veroorzaakt door menselijk ingrijpen, van zo’n climax stadium; in deze gevallen zijn dat de degradaties van bossen van zowel Steeneik als Pyrenese eik.

DE PROBLEMEN ROND DE LYCAENIDAE

De factoren die de populaties van enkele van onze Lycaenidae in gevaar brengen, zijn van diverse aard. De belangrijkste zijn: het verdwijnen van het traditionele landgebruik, de opkomst van het toerisme in al zijn vormen, ruimtelijk ingrijpen en de hoge kwetsbaarheid van bepaalde habitats.
Over welke problemen het gaat is afhankelijk van de omgevingsfactoren en zo kunnen we de bedreigde Lycaenidae in enkele groepen verdelen:

In de eerste plaats is er een verzameling Lycaenidae van het hooggebergte, die in gebieden met climax vegetatie leven, en wel in heel barre omstandigheden, in de alpiene weiden van onze hoogste bergtoppen. Dat zijn vijf soorten: Lysandra golgus, Agriades zullichi, Agriades glandon, Agriades pyrenaica, en enkele ondersoorten van de Aricia morronensis.
De twee eerste soorten zijn endemen van de Sierra Nevada , d.w.z. ze leven op geen enkele andere plek in de wereld; A. glandon is zowel in de Sierra Nevada als in de Pyreneeën te zien; A. pyrenaica leeft in de Pyreneeën en op enkele plekken in Cantabrië; A. morronensis is met enkele ondersoorten vertegenwoordigd in diverse bergsystemen.

Het Sierra Nevada kindje

Deze naam gaf men in het Spaans aan de L. golgus, een van onze kostbaarste entomologische juweeltjes. Zoals gezegd leeft het alleen in de Sierra Nevada, waar het maar op heel weinig plekken te zien is, altijd boven de 2500 meter. Men kan het zien vliegen boven leisteenhellingen, uitsluitend op Anthyllis vulneraria, de waardplant, en de ondersoorten die hier vliegen zijn op zichzelf weer endemen van deze bergen; diep weggekropen en omhuld door behaarde bladeren om zich tegen de ijskoude wind te beschermen, kan het sneeuwperioden van wel negen maanden doorstaan.
Het Sierra Nevada kindje staat in de Appendix II van de Conventie van Bern, komt op de Rode Lijst van Iberische Lepidoptera voor als in zijn voortbestaan bedreigd en is voor de Europese Gemeenschap opgenomen als kwetsbaar in de lijst van Heath van bedreigde Lepidoptera van Europa .
Wat is het gevaar dat thans deze unieke vlinder bedreigt? Voornamelijk de combinatie van twee factoren, die wij al eerder genoemd hebben: het toerisme, in dit geval het ski-toerisme, en de hoge kwetsbaarheid van de habitat.
De grote specialisatie van de vegetatieve en dierlijke gemeenschappen van de alpiene weiden maakt hen noodlottig gevoelig voor veranderingen en wijzigingen in elk van hun levensomstandigheden. Thans is een deel van de habitat van deze soort verwoest voor de bouw van een sterrenkundig observatorium en een religieus monument aan de rand van een weg die door een deel van hun verspreidingsgebeid loopt, dat ook al ernstig bedreigd wordt door de ontwikkelingen die in gang zijn gezet voor het skiën in de Sierra Nevada, min of meer in samenhang met de in 1991 of 1995 te houden Wereldkampioenschappen (vond in 1996 plaats, noot vertaler).
Het enige wat deze habitats met climax vegetatie nodig hebben om ze te behouden zoals ze nu zijn met heel hun kostbare levende have, is er niet aankomen, hen als een cerberus te bewaken tegen iedere menselijke ingreep. Het zijn soorten en populaties die niet beheerd hoeven te worden, die geen enkele maatregel behoeven, want hun omgeving is al “natuurzuiver”. Zij hebben alleen absolute rust en een onveranderlijk milieu nodig.
Het soort maatregel als het gebied uitroepen tot Nationaal Park is het enige dat heden ten dage deze milieu-omstandigheden kan veiligstellen. Anders moeten we waarschijnlijk toezien hoe de populaties van zo’n exclusief vlindertje geleidelijk teruglopen totdat ze misschien geheel verdwenen zijn, en wij de unieke schoonheid ervan alleen nog in dode vitrines van musea kunnen zien. Blijven wij werkeloos toekijken?

Dit concrete geval is wat omgeving betreft representatief voor de groep waartoe dit blauwtje behoort – de Lycaenidae van het hooggebergte-, want de problematiek en de oplossingen voor de bescherming komen in alle gevallen overeen. Met andere woorden, de grote kwetsbaarheid van de habitat is het “zwaard van Damocles” dat boven deze soorten hangt, en, hoewel het gevaar in enkele gevallen niet zo onmiddellijk dreigt als in het gevl van de L. golgus in de Sierra Nevada, het enige wat het voortbestaan van deze soorten kan garanderen is om beschermde gebieden aan te wijzen die volledig gevrijwaard worden van elke menselijke interventie.

Een tweede groep is samengesteld uit vlinders die leven in wat hierboven “serale stadia” worden genoemd van mediterrane vegetatie, en die een erg complexe gemeenschap vormen, zowel op botanisch als op entomologisch niveau. Het zijn drie soorten: Iolana iolas, Cupido lorquinii en Plebejus pylaon.

De eerste leeft op verschillende plaatsen van noord naar zuid in mediterraan Spanje, de tweede alleen in sommige berggedeelten in Andalusië en de derde heeft van het midden tot het zuiden van het schiereiland populaties die behoorlijk lokaal zijn. Alle leven in gedegradeerde omgevingen, met een vegetatie bestaande uit zeer dicht struikgewas op arme zand- of steengrond.

In deze groep zien we dat Iolana iolas uit een kritieke fase omhoog klimt dankzij een langzaam maar voortschrijdend herstel van zijn voedselplant, de Europese blazenstruik (Colutea arborescens), dankzij het feit dat van deze niet langer het hout wordt gebruikt zoals vroeger, toen er houten lepels van werden gemaakt, of toen het gebruikt werd als stookhout of om de diverse wilde hondachtigen die de kuddes bedreigden, te verjagen door met de takken te schudden; dat maakt een karakteristiek geluid van rammelende droge peulen, vandaar zijn eigenaardige naam in het spaans: “Wolvenschrik”.
Het grootste probleem bij de aanpak van de bescherming van deze soorten is misschien het gebrek aan kennis omtrent de essentiële vereisten die zij stellen; want, ook al weten we dat ze zonder problemen leven in gedegradeerde biotopen, wat wij nog niet weten is wat het is dat die biotopen zo in stand houdt. Wij denken dat een eerse stap moet zijn om enkele van die plekken tot beschermd reservaat te verklaren om te voorkomen dat bijvoorbeeld bouwprojecten worden ontwikkeld, en ervoor te zorgen dat het traditioneel landgebruik zoals begrazing, jacht etc. in stand blijft zodat er geen enkele inbreuk wordt gemaakt op de omstandigheden die thans de natuurlijke toestand bepalen. Als dat eenmaal is gebeurd, kunnen we bestuderen welke factoren de huidige toestand in stand houden en beschermingsprojecten opstellen met kennis van de oorzaken en van alle, ook de geringste, risico’s.
De meest waarschijnlijke bedreiging van deze populatie is de ontwikkeling van bouwprojecten zoals dat het geval is geweest met de P. pylaon, waarvan enkele biotopen ontegenzeggelijk hebben geleden onder menselijke activiteit tengevolge van ruimtelijke ordening.

De laatste groep van bedreigde Lycaenidae wat habitat betreft, wordt gevormd door vijf soorten die gebonden zijn aan de weiden en open plekken in het bos in het noorden, die zoals eerder uiteengezet, corresponderen met wat we “plagioclimax” noemen. Dit zijn de volgende vlinders: Maculinea arion, M. alcon, M. nausithous, M. rebeli en Aricia nicias.
De gevallen M. arion en M. rebeli, zie hierboven, zijn representatief voor het voornaamste gevaar dat deze soorten belaagt: het verdwijnen van het traditionale gebruik van weiden voor het begrazen en het hooien. Bovendien moeten ze in een bepaalde toestand zijn: onder hoge begrazingsdruk en hooifrequentie, zoals gedurende honderden of duizenden jaren tot op heden gebruikelijk was, hetgeen bepalend is voor de overleving van de onderhavige vlinders, mits ook -en dat is werkelijk allesbepalend- met de hulp van de met hen verbonden mieren die slechts op de weidegronden kunnen leven als de mens er het soort gebruik van maakt als hierboven weergegeven.
In het algemeen vliegen de drie eerste soorten in hetzelfde gebied, maar er is een plek bij Santander waar alleen de M. alcon leeft, die het risico loopt door ontwikkeling van bouwprojecten te verdwijnen op middellange termijn, wat logischerwijs het einde betekent van zo’n populatie; ACTIE VLINDER (1990) houdt in dat daaromtrent bepaalde activiteiten worden ontwikkeld.
Wat betreft A. nicias is het toerisme een van de andere recente bedreigingen, net zoals op andere plaatsen voor de M. rebeli geldt. Het instellen van reservaten die altijd klein van omvang zullen zijn, met extensieve veehouderij, zal voldoende zijn om de overleving van de populaties zeker te stellen.

Nu we de lijst van de blauwtjes waarvan het voortbestaan gevaar loopt, hebben bekeken gaan we ze rangschikken naar de mate van gevaar dat ze lopen, volgens de meest recente studies van deskundigen, hoewel het naderhand -bij het overleg over de Rode Lijst- kan zijn dat de categorizering voor enkele ervan niet klopt.
-In gevaar: Maculinea arion, M. nausithous, M. rebeli, Lysandra golgus, Agriades zullichi, Aricia nicias en Iolana iolas.
-Kwetsbaar: Cupido lorquinii, Agriades glandon en Plebejus pylaon.
-Zeldzaam: Maculinea arion en Aricia morronensis.

INTERESSANTE GEBIEDEN VOOR DE LYCAENIDAE OP HET IBERISCH SCHIEREILAND
Naar de mate waarin er een of meerdere bedreigde soorten Lycaenidae aanwezig zijn is er een lijst gemaakt van plaatsen die een of andere bescherming verdienen, in het algemeen gecombineerd met het beheer van de natuurlijke omgeving:
Ordesa vallei. Heeft thans vier soorten bedreigde Lycaenidae. Er is extensieve veehouderij nodig in de vallei, om opnieuw de Maculinea arion en de M. rebeli te behouden die verdwenen zijn toen de veehouderij afgeschaft werd bij het instellen van het Nationaal Park. Met een uitbreiding van het park met enkele aangrenzende valleien zou de Agriades pyrenaicus bij het beschermde gebied inbegrepen zijn.
Abejar (Soria). Vitaal belangrijk gebied voor M. nausithous. Er zijn verschillende weiden, elk van niet meer dan 1 ha. die gematigde begrazing nodig hebben. De burgemeester van de plaats heeft zich, via contact met ACTIE VLINDER, uitgesproken voor een beleid van bescherming van het gebied en vraagt ons al de beschikbare informatie.
Sotillo del Rincón (Soria). M. nausithous en M. alcon veel voorkomend. Het zal nodig zijn om enkele weiden elk van minder dan 1 ha. te beschermen door de roterende begrazing in stand te houden. Zoals in het voorgaande geval hebben wij met de burgemeester van dit dorp gepraat, met hetzelfde resultaat.
La Molina (Gerona). A. nicias en M. rebeli aanwezig. Er zal een reservaat van niet meer dan 10 ha. nodig zijn in open bosgebieden die in stand gehouden worden door middel van extensieve veehouderij.
Puerto de Tarna (León). Hier vliegt de M. nausithous. Gebied van zo’n 10 ha. waar kunstmatig weiden in stand worden gehouden.
Sierra de Elvira (Granada). Gebied met climax vegetatie waar I. iolas en P. pylaon vliegen op open bosplekken die in stand moeten blijven. In totaal niet meer dan 10 ha. in één enkel gebied.
Loeches y Campo Rea (Madrid). Het zijn vier of vijf degradatie-gebieden met een totaal van zo’n 5 ha. waar I. iolas en P. pylaon vliegen.
Valle de Arán (Lerida). A. nicias en M. arion vliegen er. Plagioclimax gebied dat matige druk van het vee nodig heeft. Enkele gebieden in verschillende dalen met een totaal van 10 ha.
Sierra Nevada (Granada). Volgens de deskundigen, gebied met absolute prioriteit voor het behoud van de iberische Lycaenidae. Een hooggebergte-gebied van enkele honderden vierkante kilometers zou uitgeroepen moeten worden tot Nationaal Park. Zo zouden L. golgus, A. zullichi en A. morronensis ramburi beschermd worden, en een niet al te grote uitbreiding met andere vegetatie-niveaus zou ook I. iolas, C. lorquinii, P. pylaon en L. nivescens omvatten. Beheer is niet nodig, alleen eenvoudigweg rust.

Wat betreft de rest van de Lycaenidae familie, die naar men aanneemt zo’n 55 soorten omvat, zijn er veel andere gevallen waaraan aandacht besteed moet worden, hoewel niet met de urgentie van de soorten die wij besproken hebben.
Bij voorbeeld L.nivescens en A. morronensis, die destijds als bedreigd in hun voortbestaan te boek stonden, hebben nu geen overlevingsproblemen meer, en worden alleen nog maar als zeldzaam genoteerd. Het zijn bewoners van bergen en een van de ondersoorten van de morronensis is misschien in wat precaire toestand daar het in de S. Nevada leeft, maar in het algemeen is de soort buiten gevaar.

Er is, tenslotte, een andere groep Lycaenidae die weinig bekend zijn, hetgeen in het algemeen te wijten is aan hun schaarse voorkomen, en die misschien geplaatst kunnen worden op de lijst van bedreigde soorten in het geval we meer details te weten komen van hun ecologie, habitat, exacte verspreiding etc. Daartoe zijn studies nodig zoals de studies die tot een goede kennis van zaken hebben geleid betreffende de bedreigde Lycaenidae die wij hier uitputtend behandeld hebben, hetgeen wij te danken hebben aan dr M. López-Munguira van de Autonome Universiteit van Madrid. Het zijn de weinigbekende Callophrys acis, Strymonidia pruni, Lycaena helle, Eumedonia eumedon en Tarucus teophrastus.

Vertaling uit het Spaans van “LYCAENIDAE, Diminutas voladoras azules”, artikel van Carlos Ibero in ACCION MARIPOSA p. 15-21, een uitgave van ADENA/WWF Spanje november 1990, ISBN 84-404-8123-3. Vertaler: Elisabeth Portheine.